Karakter
Volgens de FIFe een natuurlijk ras met een vriendelijk karakter, afkomstig van de werkkatten op boerderijen in het noordoosten van Amerika. Een grote, sterke kat met een lange, vloeiende staart en een halflange vacht.
Past een Maine coon bij jou?
Een grote kat heeft ruimte nodig, een stevige krabpaal en een grote kattenbak. De halflange vacht verhaart flink; wekelijks borstelen voorkomt klitten. Vraag de fokker naar onderzoek op erfelijke hartziekte (HCM) bij de ouders.
Twijfel je? Vul de rassenkiezer in en zie hoe de Maine coon scoort op jouw situatie.
Waar komt de naam Maine coon vandaan?
Vroeger dachten mensen dat de Maine coon was ontstaan uit een kruising tussen katten en wasberen (Engels: raccoons). Volgens het LICG klopt dat niet. De naam komt doordat de katten het meest voorkwamen in de Amerikaanse staat Maine. De echte voorouders zijn waarschijnlijk langharige katten die vanuit Europa over zee zijn meegenomen.
De Maine coon is een natuurras: het is vanzelf ontstaan en mag niet met andere rassen worden gekruist. De FIFe erkent het ras sinds 1982, en tussen 1980 en 1990 kwamen de eerste Maine coons naar Nederland.
Groei, vacht en stem
Een Maine coon groeit langzaam. Volgens het LICG is hij pas rond zijn vierde jaar helemaal volwassen, met zijn uiteindelijke grootte, bouw en vacht. Lynxpluimpjes op de oren zijn gewenst.
De halflange vacht is waterafstotend en klit nauwelijks, omdat er weinig ondervacht is. Een keer per week kammen en borstelen is meestal genoeg; let extra op de oksels, daar ontstaan makkelijker klitten.
Voor zo'n grote kat heeft hij een verrassend zachte stem, soms als die van een kitten. Veel Maine coons spelen graag met water, bijvoorbeeld door met hun poten in het drinkbakje te plonzen.
Binnen of buiten?
Volgens het LICG gaat een Maine coon graag naar buiten, ook bij slecht weer: zijn vacht is bestand tegen regen, wind en sneeuw. Het zijn meestal geen uitbrekers, dus een afgesloten tuin of balkon is vaak genoeg.






