Waar zitten de allergenen?
Volgens het LICG zitten de allergenen van huisdieren meestal in de haren en huidschilfers. Ook speeksel bevat vaak stoffen waar mensen op reageren. Bij katten noemt het LICG het allergeen Fel d 1.
Je hoeft niet eens zelf een kat te hebben om ermee in aanraking te komen. Het LICG noemt onderzoek waaruit blijkt dat er in het openbaar vervoer en in schouwburgen zoveel huisdierallergenen kunnen zijn dat mensen met een allergie er klachten van krijgen.
Wat zegt het onderzoek?
Bij honden is het goed onderzocht: zogenaamde hypoallergene rassen maakten niet minder allergenen dan andere honden. Bij katten noemt het LICG één kleinschalig onderzoek waarin hypoallergene katten iets minder Fel d 1 leken uit te scheiden. Dat onderzoek is bij heel weinig dieren gedaan. Daarnaast verschilt de hoeveelheid allergenen sterk tussen katten van hetzelfde ras.
Ook de rasraad van de devon rex, een kat die vaak hypoallergeen wordt genoemd, is daar eerlijk over. Volgens de FIFe reageren sommige mensen met een kattenallergie niet op een devon rex, maar dat is nooit zeker. Een allergie kan bovendien veranderen.
Weinig verharen is iets anders
Een kat die weinig haar verliest, laat minder haren in huis achter. Dat is prettig, maar het zegt niet dat je er niet allergisch voor bent: ook huidschilfers en speeksel bevatten allergenen. Rassen die volgens onze inschatting weinig verharen zijn abessijn, bombay, burmees, Cornish rex, Devon rex, korat, ocicat, oosterse korthaar, siamees, singapura, snowshoe en Thai.
Toch een kat met een allergie?
Het advies van het LICG is duidelijk: heb je een allergie voor dieren, neem ze dan liever niet in huis. Je allergie kan juist erger worden als je een dier houdt. Twijfel je of je allergisch bent, laat dat dan eerst testen bij de huisarts. Dat kan met een huidtest of een bloedtest.
Wil je het toch proberen, ga dan vaak en lang op bezoek bij de kat die je wilt nemen, of bij katten van hetzelfde ras en dezelfde fokker. Klachten komen vaak al binnen een paar minuten.